Schrif­te­lijke vragen omscha­keling naar geiten­hou­derij


Indiendatum: mrt. 2021

Schriftelijke vragen aan het College van B&W als bedoeld inartikel 41 van het reglement van orde voor raadsvergaderingen van Leeuwarden.

Betreft: Omschakeling naar geitenhouderij

Datum: Warten & Baard, 14 maart 2021

Geacht college,

Afgelopen week was er in de Friese media aandacht voor de plannen van initiatiefnemer Boonstra Agro (hierna: initiatiefnemer) om een melkveehouderij met 475 koeien te transformeren tot een geitenhouderij met 2840 geiten. Het plan heeft tot onrust geleid bij omwonenden. Zij vrezen nadelige effecten voor hun gezondheid.

Nu is de mogelijke relatie tussen geitenhouderijen en volksgezondheid al langere tijd, een onderwerp dat landelijk, maar ook in de provincie Friesland meermalen aan de orde is geweest. In februari 2019 heeft dat geleid tot de invoering van een tijdelijke stop op uitbreiding en nieuwbouw van geitenhouderijen in Fryslân. In juli 2019 heeft een meerderheid van Provinciale Staten besloten deze tijdelijke geitenstop niet te verlengen, maar eerst de uitkomsten van nadere lopende deelonderzoeken als onderdeel van het onderzoeksprogramma Veehouderijen Gezondheid Omwonenden (VGO) af te wachten.

De fracties van GroenLinks en Partij voor de Dieren hebben, mede naar aanleiding van de ongerustheid van omwonenden, de volgende vragen voor het college:

1. Hoe kijkt het college in algemene zin naar geitenhouderijen naar het opheffen van de geitenstop in Fryslân? Zijn er meer aanvragen voor een omschakeling naar geitenhouderijaan de orde? Welke (mogelijke) gevolgen voor de gezondheid verwacht u?

2. Het College heeft initiatiefnemer inmiddels laten weten dat een Milieu Effect Rapportage niet nodig is. Op grond van welke informatie is deze beslissing genomen? Kunt u de raad hierover informeren?

De conclusie uit het eerste deelonderzoek ‘Longontsteking in de nabijheid van geitenhouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht’ uit 2019 geeft aan dat er in de nabijheid van intensieve veehouderijen meer longontstekingen voorkomen. Er volgen nog drie deelonderzoeken in het onderzoeksprogramma: onderzoek onder patiënten met longontsteking, onderzoek bij geitenhouders en onderzoek op geitenbedrijven. Het rapport 2020-0092 van het RIVM hanteert als uitgangspunt: “wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Gevoelige bestemmingen zijn bijvoorbeeld woningen, scholen, en ziekenhuizen.”

3. Wat is de afstand van dit bedrijf tot woningen binnen de bebouwde km-grens van Reduzum? Voldoet dit aan de aanbevelingen die door het Rivm zijn gedaan? Zo nee, waarom niet?

4. In tegenstelling tot veehouderij met koeien is een bedrijf dat geiten houdt voor de melkproductie niet-grondgebonden. Is hiervoor een aanpassing van het bestemmingsplan noodzakelijk? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is dat een bevoegdheid van het College, of wordt dit besluit aan de gemeenteraad voorgelegd?

Hoewel de resultaten van het door de ministers Schouten (LNV) en Van Ark (Medische Zorg)gelaste onderzoek over de relatie geitenhouderijen en volksgezondheid pas eind 2024 worden verwacht, staat het gemeenten vrij een omgevingsvergunning te weigeren op grond van het ‘voorzorgsbeginsel’. Dit is zeer recent (18 maart 2020) door een uitspraak van de bestuursrechter van de rechtbank Midden-Nederland bevestigd. De rechtbank overweegt hierover dat het voor een weigering op grond van het voorzorgbeginsel niet nodig is dat is aangetoond dat de verbanden tussen luchtkwaliteit en gezondheidseffecten rond geitenhouderijen oorzakelijk zijn.

5. Kent het college bovengenoemde uitspraak en in hoeverre is het college bereid om, analoog aan deze uitspraak en met inachtneming van de RIVM-bevindingen tot nu toe, ook ten aanzien van de initiatiefnemer het voorzorgsbeginsel toe te passen bij de aanstaande beoordeling van de omgevingsvergunning?

Onze fracties zien het antwoord op deze vragen graag spoedig, maar uiterlijk binnen de geldende termijn, tegemoet.

Met vriendelijke groet,

Caroline de Groot, Partij voor de Dieren

Pim Astro, GroenLinks Leeuwarden

1. Wij staan op het standpunt dat agrarische bedrijven levensvatbaar en toekomstbestendig moeten zijn. Als dit een omschakeling naar het houden van geiten betekent, dan zou dat kunnen als de situatie zich daarvoor leent. De gezondheid van omwonenden wordt meegewogen in de besluitvorming. De aanbeveling van het RIVM zal daarin leidend zijn. Dat betekent dat binnen 2 km van woningen geen nieuwe geitenhouderijen zullen worden toegestaan. Op dit moment zijn er geen aanvragen voor een omschakeling naar een geitenhouderij. Op voorhand kunnen wij niet aangeven welke gevolgen voor de gezondheid worden verwacht. Dit zal per geval verschillend zijn door verschillende situering van bedrijven, verschillende technische maatregelen etc.

2. De initiatiefnemer heeft een Mer-aanmeldnotitie ingediend. Deze is ter advisering gestuurd naar de FUMO. Deze heeft geadviseerd, op basis van deze aanmeldnotitie, dat geen Mer hoeft te worden opgesteld. Op basis van dit advies is een Mer-beoordelingsbesluit genomen, die naar de initiatiefnemer is gestuurd en is gepubliceerd.

3. De afstand van het dierenverblijf tot de bebouwde kom van Reduzum is circa 200 meter. Deze afstand voldoet niet aan de aanbeveling van het RIVM, omdat in de GGD-richtlijn medische milieukunde aanbevolen wordt om binnen een straal van 2 km tot woningen geen nieuwe geitenhouderijen toe te staan.

4. Op de betreffende locatie is op grond van het bestemmingsplan Buitengebied 2008 een agrarisch bedrijf toegestaan. Intensieve veehouderij met een oppervlakte van meer dan 500 m2 is niet in de bestemming begrepen. Intensieve veehouderij wordt gedefinieerd als: ‘een agrarisch bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van dierlijke producten door middel van het houden van vee – niet zijnde een wormenkwekerij of een paardenfokkerij – waarbij hoofdzakelijk geen gebruik wordt gemaakt van open grond’. Beoordeeld moet worden of het bedrijf al dan niet aanmeldnotitie heeft de aanvrager aangegeven dat de melkkoeien in de huidige bedrijfsvoering niet worden beweid. Bij de geitenhouderij zal dit niet wijzigen. In de bestaande situatie worden 494 stuks melkvee gehouden. Met behulp van de rekenfactor GVE (Grootvee-eenheid) kan berekend worden dat 494 stuks melkvee overeenkomt met 3293 geiten. In de Mer-aanmeldnotitie wordt gesproken over 2840 geiten. Relatief gezien, op basis van de GVE, krimpt het bedrijf qua veestapel. In de Mer-aanmeldnotitie staat dat het gebruik van ruwvoer een factor 3 lager zal zijn ten opzichte van de huidige situatie. Voor het verbouwen van ruwvoer is derhalve ook een factor 3 minder grond nodig. In de Mer-aanmeldnotie is verder aangegeven dat de geitenmest uitgereden wordt op eigen grasland en maïsland. Volgens de aanvrager is en blijft er sprake van een grondgebonden veehouderij. Op basis van de nu bekende gegevens, wordt het bedrijf als grondgebonden bedrijf beoordeeld. Om die reden is een aanpassing van het bestemmingsplan niet nodig.

5. Deze uitspraak is ons bekend. Een omgevingsvergunning milieu zal worden geweigerd op basis van het voorzorgsbeginsel ter voorkoming
van risico’s voor de volksgezondheid. De afstand in onderhavige situatie (200 m) tot woningen voldoet niet aan de aanbeveling van het RIVM, omdat in de
GGD-richtlijn medische milieukunde aanbevolen wordt om binnen een straal van 2 km tot woningen geen nieuwe geitenhouderijen toe te staan. Om die reden zal geen medewerking worden verleend aan de aangevraagde omgevingsvergunning (milieu).